
Visschersbooten in den Lofodden-archipel.
Aan het boek, dat bovenstaanden titel draagt, en dat de schrijver, de Italiaan Gino Bertolini, minder als reisbeschrijving,dan wel als psychologische en sociologische studie wenscht beschouwd te zien, zooals hij in zijne voorrede zegt, ontleenenwij de hier volgende belangwekkende schetsen uit de drie skandinavische rijken. Zijn eerste beschouwing, gewijd aan het landvan Hamlet, verbindt de schrijver aan zijn uitstapje van uit Kopenhagen naar het slot te Helsingör. Ik had, zoo schrijft hij,de kinderen, de soldaten, de zieken en krankzinnigen, de beurs-speculanten en de misdadigers van Kopenhagen gezien; ook demet handelswaren en menschen bezaaide kaden langs de haven, waaraan de stad haar naam ontleende; zoowel als het Thorwaldsen-museum,die echo der deensche volksziel. Maar ik kon het vaderland van Hamlet niet verlaten zonder het op de uiterste noordelijkepunt van Seeland gelegen slot Elsenör te bezoeken, binnen welks muren Hamlet, naar de sage meldt, geleefd en geleden heeft,en op welks terras de gevreesde en toch zoo vurig beminde geest van den vermoorden koning zich vertoonde aan zijn zoon. Ishet legende of geschiedenis? Dikwijls is de eerste gewichtiger, veelzeggender dan de laatste. Indien ook al nimmer op datterras van Elsenör de bittere lach eens dooden konings heeft weerklonken, dan was het toch de smartelijke glimlach der deenschevolksziel, die hier uiting vond, en de gestalten der sage schiep naar eigen, innerlijken drang.
Op den morgen eer ik den tocht naar Elsenör ondernam, zag ik nog eens met belangstelling uit het venster van mijn hotelkamernaar het drukke gewoel in een der hoofdstraten van Kopenhagen. Gewoel was misschien niet het rechte woord; het scheen eeneindelooze stroom van voorbijgangers, die zich allen in één richting voortbewogen, en dat wel per rijwiel; voetgangers vertoondenzich bijna niet. In een uur telde ik 1220 fietsen; ’t waren meerendeels winkeljuffrouwen en kantoordames, die naar haar dagelijkschwerk togen; het leek wel een bijenzwerm. Mij viel het op, dat ieder haar eigen weg ging, verdiept in gedachten; nergens eenglimlach; geen uitroep, geen begroeting; al spoedde men elkaar rakelings voorbij. Slechts de dringende noodzakelijkheid dreefhaar voort, deze sombere processie, die niets vreugdevols, noch verheffends had.... Ach, dacht ik, ook onder deze arbeidendeschare, kiest de sphinx van den zelfmoord, [178]die in alle klassen der deensche maatschappij naar buit zoekt, hare slachtoffers. En toch is het met inspanning verworvenbezit der deensche cultuur geen ledig, ijdel vertoon, en het land is in geenen deele te vergelijken met een lijk, dat metfraaie kleederen getooid is. Hier is vooruitgang, aan onbedriegelijke teekenen te herkennen, aan den hier heerschenden geestvan waarachtige vrijheid, aan den hoogen graad van beschaving en ontwikkeling onder alle klassen, de onvermoeide vlijt, hetgeringe aantal