
Lavameer van den berg Trumbull.
Het zuidelijk gedeelte van het land der Mormonen, Utah en het plateau van Kaibab in Arizona,—die merkwaardige streken, welkeik in Juni 1885 heb bezocht,—zijn in Europa zoo goed als onbekend, en zelfs bij de Amerikanen maar zeer gebrekkig bekend.Zij weten er over het algemeen weinig meer van, dan hetgeen zij vernomen hebben van den heer Powell, den directeur van deGeological Survey. Sedert vijftien jaren heeft genoemde heer talrijke ontdekkingstochten gedaan in deze zonderlinge streken; met medewerkingvan den heer Thompson en andere geologen, heeft hij van deze landstreek uitmuntende geologische kaarten vervaardigd.
Hem ben ik ook de inlichtingen verschuldigd, die mij in staat hebben gesteld, dit interessante uitstapje te ondernemen; ikacht mij gelukkig, hem hiervoor openlijk mijn dank te kunnen betuigen.
Van Salt-Lake-City brengt de spoortrein mij in dertien uren naar Milford, waar mijne reis eerst wezenlijk begint. Dit spoorreisjedoor het land der Mormonen verschilt zeer wezenlijk van andere dergelijke tochtjes. Zoodra men de boorden van het Utahmeerachter den rug heeft, ziet men weinig anders dan dorre zandige woestijnen. De stations waar de trein stilhoudt, zijn poveregehuchten: een daarvan, Juab genaamd, waarschijnlijk wel het aanzienlijkste, bestaat uit vijf of zes houten huizen.
Tegen den avond gebruiken wij met den conducteur en zijne helpers het middagmaal, naast den bagagewagen. Behalve mijn persoon,is er in den trein nog slechts een passagier: mijn reisgenoot, de heer Lund. Het eten wordt op een kachel gekookt: de spijzenzijn hoogst eenvoudig, maar de beambten willen zeer gaarne met ons deelen en vragen slechts eene zeer geringe vergoeding.Ten negen uren des avonds komen wij te Milford; eene kleine, van planken getimmerde woning dient voor hotel.
Den volgenden morgen, ten zeven uur, neem Bladzijde 378ik met den heer Lund plaats in den postwagen, die ons naar Silver-Reef moet brengen. Deze postwagen is een zeer primitiefrijtuig zonder veeren en met harde banken, waarvan de zittingen met kiezelsteenen schijnen te zijn opgevuld; het dekzeil ofde huif is vol gaten. Op de nauwelijks gebaande wegen dwarrelen voortdurend dichte stofwolken omhoog, die ons dreigen te verstikken.
In deze wildernissen zwerven, het geheele jaar door, talrijke kudden rond, die geheel aan zich zelven zijn overgelaten. Wijzien ze nu en dan in de verte. Wanneer eene koe of een schaap van honger sterft en op den nauwelijks kenbaren weg bezwijkt,slaat niemand daar acht op; het rijtuig gaat een weinig ter zijde om het doode dier te vermijden, dat daar blijft liggen tothet geheel verrot is.—Een aantal hazen, opgeschrikt door het paardengetrappel en het ratelen der wielen, rennen voor ons uit;zij trachten zich te verbergen onder de blauwachtige bladeren van kwijnende saliestruiken, de eenige gewassen in deze wildernis,en zien van daar ons rijtuig na. Nu en dan bespeuren wij ook kleine, fraaie eekhorentjes, die zich haastig uit de voeten maken,en ook wolven, die op een afstand rustig rondsluipen.
Na een zeer vervelenden rit van twaalf uren, steeds door stofwolken omgeven, komen wij eindelijk te Cedar-City, een mormoonschdorp, dat mij, te midden dezer eentonige wildernissen, bijna eene bloei