
„Al wat ik vraag, zijn feiten. Leer diejongens en meisjes niets anders dan feiten. Dat is alles wat men in dewereld noodig heeft. Plant niet anders, en roei alle andere dingen uit.Door feiten alleen kunt gij den geest van met rede begaafde dierenontwikkelen; niets anders zal hun ooit van eenig nut wezen. Dit is destelregel, waarnaar ik mijne eigene kinderen grootbreng, en het is ookde stelregel, [2]waarnaar ik deze kinderen opvoed. Houd uaan feiten en blijf daarbij, mijnheer!”
Het tooneel was een hol, eentonig schoolvertrek, metvier kale witte muren, en des sprekers recht uitgestoken voorvinger gafnadruk aan zijne woorden, door elk gezegde met eene lijnrechte bewegingover des schoolmeesters mouw te onderstrepen. Die nadruk werd nogversterkt door des sprekers voorhoofd, dat naar een vierkantopgebouwden muur geleek, die zijne wenkbrauwen tot grondslag had,terwijl zijne oogen in twee naar keldergaten zweemende donkere holen,door dien muur overschaduwd, verscholen lagen; en verder door dessprekers mond, die breed en recht ingesneden was, met dunne, strakkelippen—en verder door des sprekers stem, die stroef, eentonig engebiedend was—en verder door des sprekers haar, dat borstelig omden rand van zijn kaal hoofd oprees, als ware het een dennenplantsoen,bestemd om den wind van de blinkende oppervlakte af te weren, dieoveral met knobbels was bedekt, alsof het hoofd nauwelijks ruimte hadvoor al de dorre feiten, die daarin lagen opgestapeld. Des sprekersgeheele onverbiddelijke houding, zijn rechthoekig gesneden rok, zijnrechthoekige beenen, zijne rechthoekige schouders—ja zelfs zijnedas, gewend om hem met een onverbiddelijken greep, als een hardnekkigfeit, bij de keel te pakken—alles verst