
Brug in de spoorweglijn Seoul–Chemulpo.
Voor een paar jaren eerst werd in Korea de lijn Seoul–Wijuer voltooid; in 1905 waren de werkzaamheden zoover gevorderd datde europeesche bewoners van de hoofdstad van het “Land van de Morgenkalmte” er aan denken konden om voor eene reis naar hetbinnenland van deze lijn gebruik te maken.

Koreaansche ezelruiter.
Een hunner beschrijft het reisje naar Pyeng Yang (de oude hoofdstad des lands) en Syen-Chou aldus:
Het eerste wat ik te doen had was, mij te voorzien van een pas, geteekend door den japanschen militairen kommandant (de Japannerszijn gelijk bekend de werkelijke meesters des lands; de keizer te Seoul is niet veel meer dan een stroo-man), en met dit onmisbaarstuk gewapend, toog ik in gezelschap van een drietal vrienden op weg.
Op het bepaalde uur vertrok de trein van het station Riong San, maar reeds na een mijl ongeveer hield de trein plotselingstil. De conducteur kwam in onzen waggon, om kennis te geven dat er eene verzakking op de baan was ontstaan en dat de treinvóór den volgenden dag niet verder zou gaan. Wij vonden het zeer opmerkelijk dat men op het station, waarvan wij zooeven vertrokkenwaren, van den toestand van de baan niets geweten zou hebben, en dat men daar den trein kalm had laten vertrekken. Doch erviel niet aan te doen, wij moesten blijven waar wij waren. Den volgenden morgen werd ons gezegd dat de trein, die ons verderzou voeren, klaar stond aan de andere zijde der verzakking. Die “andere zijde” was drie mijlen ver; echter gelukte het ons,met vereende krachten en met behulp van koelies, om onze bagage op een inlandsche kar te krijgen en daarmee, door de rijstveldenheen en over een steilen, steenachtigen heuvel, den trein te bereiken. Wij moesten ons hier met een goederenwagon behelpen;wij zaten er op een smalle bank, te midden [282]van tal van inlandsche passagiers met al hun pak en zak. Doch wij waren ten minste weer in een trein, en voort ging het.
Na verloop van drie uren waren wij te Song-do. Om van de hoofdstad dien afstand af te leggen, had men vroeger twee dagen noodig—Koreaheeft aan niets zoozeer behoefte als aan spoorwegen. Voorbij Song-do voerde de trein ons door een schilderachtig, diep ingesnedendal, en verderop door een met rijke vegetatie bedekte bergketen. Door de kloven en ravijnen van die bergketen wond zich eenstroom in scherpe, onregelmatige en talrijke krommingen; men zou haast aan de rivier Meander der oudheid gedacht hebben. Debruggen, waarover de trein heen snorde, waren slechts van hout, en overal zag men de teekenen dat de lijn nog verre van voltooidwas.
De reis naar Pyeng Yang, waarvoor anders ettelijke dagen noodig zijn, werd thans in twaalf uren volbracht—indien eens alletoestanden in Korea (waaronder sommige, die men voorhistorisch zou kunnen noemen) in dezelfde verhouding herschapen werden,in welk een geheel ander land zou men er leven!
Des morgens ten 7 ure vertrok de trein van Pyeng Yang en kwam na vierdehalf uur aan de rivier Chung-chung, waar de baan ophield.De reizigers moesten m