Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at /
1880.
Wat ruischt er zoo spade
Door 't beukenloof heen?
't Zijn fluistrende stemmen
En krakende schreên:
Daar flikkren de vlammen
Door 't lommerig bosch,
Daar weemlen gedaanten
In wonderen dosch.
't Zijn wilde Zigeuners:
Een rustloze schaar,
Met bliksemende oogen,
Met fladderend hair;
De Nijl heeft het eerste
Hun voeten besproeid,
De hemel van Spanje
Hun voorhoofd verschroeid.
Hoe vriendelijk knettert
Het vlammende hout!
Daar leegren de mannen,
Bij vroolijken kout:
Daar hurken de vrouwen,
En roosten het maal,
En vullen gestadig
De wijde bokaal.
En Sagen en zangen
Weêrklinken in 't rond,
Als 't bloeiende Zuiden
Zoo weeldrig en bont.
Hoe luistren de jongen,
Waar 't Bestjen hen leert.
Wat rijmspreuk de slange
Der smarte bezweert!
Zwartoogige meisjens
Beginnen den dans:
Hoe gloeien de fakkels
Met purperen glans
Hoe ruischen de snaren!
Hoe davert de grond!
Hoe zwieren de paren
Al wilder in 't rond!
Nu zoeken ze aêmechtig
Een plekjen zich uit,
Waar 't murmelend windtjen
Haar de oogenleên sluit.
Daar voeren de droomen,
Zoo dartel en vlug,
Het harte der kindren
Naar 't Zuiden terug.
Maar als nu in 't Oosten
Het zonnetjen daagt,
Zijn plotsling de beelden
En droomen verjaagd.
De muildieren trapplen;
't Woelt alles dooréen—
De bende is verdwenen!
Wie zegt u waarheen?
Door de Afrikaansche lucht gezengd,
Marcheert een oorlogsdrom:
't Zijn Vreemden, bont dooréen gemengd,
Vergaderd van alom.
Hun lied, in allerhande taal,
Eens rijzend met den morgenstraal,
Werd lang niet meer gehoord:
Eentonig dreunt het rammlend staal—
Zij trekkend slapend voort.
De tamboer, met zijn trom bezwaard,
Stapt slapende in de maat;
Den hoofdman, knikkende op zijn paard,
Staan vlammen op 't gelaat.
Zoo sluimert heel dat bataillon,
Door de onverbiddelijke zon
Tot smachtens toe verhit:
Toch, hoe de hette hen verwon,
Blijft alles in 't gelid.
En wat meest enkel de enge tent
Bij nacht bespieden mag,
Staat nu op elks gelaat geprent
Bij helderlichten dag:
Het droomgordijn is opgehaald,
De waereld, waar hun ziel in dwaalt,
Weêrkaatst haar tooverlicht,
Den glans, die van haar beelden straalt,
Op ieders aangezicht.
Hoe beeft de ruige wenkbrauwboog!
De mond, schoon zwijgend, spreekt:
Ziet, hoe daar uit het trillend oog
Een groote traandrop breekt!
Zij zien de dagen van weleer,
Hun dierbaar huis, hun vriendlijk meir,
Hun groene lustwarand,
Hun lieve, grij