
Japansche ruiters in een straat der hoofdstad, Taïhokoe.
I.—Aankomst op Formosa.—Taïhokoe, de zetel der regeering.—Chineesche en Japansche wijken.—De beide takken van den spoorwegen de Décauvillelijn.—Gevolgen der aardbeving.—De agenten van politie en hun administratieve werkzaamheid.—Voorloopige hospitalen.—Uitstapjenaar Kagi.—De vroegere Samoeraï als politiebeambten.—Bezoek aan de koppensnellers.—Maatregelen, door de Japanners genomenom oude, barbaarsche gewoonten tegen te gaan.—Betrekkingen tusschen de Atayals en de Japanners.—De thee.—De oorlogshaven Keloeng.
De reizigers, die van Europa naar Formosa gaan, verlaten te Hongkong de groote lijn van Yokohama, om zich in te schepen opeen der kleine nipponsche stoombooten, die den dienst van Tamsoeï waarnemen. Vóór de verovering van het eiland door de Japannersin 1895, was alle handel in handen van engelsche maatschappijen, maar langzamerhand is men er, dank zij de subsidies van deregeering, in geslaagd, de britsche vlag bijna geheel te doen verdwijnen uit de havens van Formosa. De Daijin Maroe, waarik passage op neem, is een uitstekend schip, dat flink zee bouwt en zeer geriefelijk is ingericht. Nadat we de chineeschekust een eind hebben gevolgd met oponthoud van korten duur te Swatow en te Amoy, steken we de straat over met het altijd onstuimigewater, en zijn na drie dagen reizens tegenover de haven Tamsoeï. Hier moeten we ankeren in afwachting van het oogenblik, datde vloed ons zal vergunnen, een bank over te komen, waar bij hoog water nog maar 13 voet water staat.
Na verscheiden uren van een vervelend wachten, gedurende welken tijd de moesson ons geducht doet schommelen, kunnen we eindelijkde rivier van Tamsoeï binnenkomen; de paketboot legt aan bij een houten brug, die bij wijze van pier tegen den oever is aangelegd. Van Tamsoeï naar de hoofdstad van het eiland, Taïhokoe, het oude Taïpeï der Chineezen, heeft men slechts een afstandvan twintig kilometer af te leggen, die de spoortrein in een klein uur overwint. Ingevolge de raadgevingen van een japanschenmedereiziger was ik besloten, mij halverwege op te houden in het winterstation Hokoeto met rijke zwavelbronnen, waar de regeeringeen militair hospitaal heeft laten inrichten en openbare baden, en waar ik, naar mij verzekerd werd, het eenige europeeschehotel op Formosa zou aantreffen.
Het zoogenaamde hotel bleek een enkele kamer te wezen, voorzien van een bed als eenig meubel; de eigenaar was een vuile enaltijd dronken Chinees. Ik verliet reeds den volgenden dag die weinig aanlokkelijke plaats, om te Taïhokoe een minder pretentieusejapansche herberg te vinden, die heel goed was en waar ik mijn hoofdverblijf vestigde gedurende de twee maanden, die ik ophet eiland zou slijten. De eigenaar stond mij toe, dat ik een stoel en een tafel plaatste in mijn kamer, doch op voorwaarde,dat ik de pooten omwikkelde met dikke lappen stof, om de tatami niet te beschadigen, de dikke, gevlochten matten, waarmeede vloeren